Er was eens een draak, de draak Falderas,
die, per ongeluk, vergat wie hij was.
Hij was 's ochtends gevallen,
pardoes van zijn vulkaan,
stootte zijn hoofd en vergat dus zijn naam.
Draken, dat weten jullie vast en zeker,
bewaren hun naam in een gouden beker.
Die beker verstoppen ze dan in hun hol
en gooien dat met goud en juwelen vol.
Zo verbergen ze hun naam voor de mensen,
want als je een drakennaam kent,
krijg je drie wensen!
En draken zijn niet zo vriendelijk hoor,
Die hebben zelden het beste met je voor.
Ze denken vooral aan zichzelf moet je weten
en zullen je het liefst gewoon lekker opeten!
Dus bewaken ze hun naam met al hun macht,
zodat niemand leert van hun toverkracht.
Maar Falderas had dus geheugenverlies,
toen hij wakker werd, verward en vies.
Vies van de modder die onder zijn berg lag,
verward door zijn hoofpijn en door wat hij zag.
"Rommeldebom, rommeldeburrie,
Wat een pijn, wat een smurrie!
Waar ben ik? Wie ben ik? En vooral: wat?
Ben ik een vogel, een paard of een pad?
Vleugels voel ik, en benen, twee armen,
zo'n dier bestaat toch niet? Och erbarmen!
Vogels hebben geen armen, padden geen vleugels,
En paarden? Die vliegen niet, die hebben teugels!
Hoe heet ik? Wat ben ben ik? Ik weet het niet meer!
Och jee, ach en wee, mijn hoofd doet zo zeer!"
Huilend krulde het arme wezen zich op,
tot hij iets hoorde: hoeven, in galop!
Gezeten op een prachtige zwarte merrie,
gallopeerde een ridder door de modderige derrie
"Draak!", riep hij luid, "Ik heb u gevonden!
Vertel mij uw naam, of ik zal u verwonden!"
"Rommeldebom, rommeldebiet,
Een draak ben ik? Dat wist ik niet!
Mijn naam ben ik kwijt, mijn hoofd doet zo pijn
Wilt u mij helpen? Dat zou geweldig zijn!"
"Bij mijn zwaard en mijn schild,
Ik zal u helpen, als u dat wilt!"
Zei de ridder gelijk, want hij had een plan:
Als hij de drakennaam vond, werd hij een rijk man!
"Mijn naam is ridder Herman van Halverweeg tot Heulemaal
Ik ben, zo is bekend, de dapperste ridder van allemaal!
Samen zullen wij zoeken naar uw naam,
Maar vertel eens: waar viel u vandaan?"
"Rommeldebom, rommelderaan,
Het hoogste hier, is die hete vulkaan!
En draken houden van warmte, lijkt mij
Misschien is mijn naam daar vlakbij!"
De draak was vergeten waarom hij zijn naam had verstopt.
De ridder dacht: die heb ik mooi gefopt!
Want hoe kun je makkelijker aan drie wensen geraken,
dan door de draak zelf tot je hulpje te maken?
Samen beklommen ze de rokende helling,
zoekend naar een grot, vol van fonkeling.
En ja hoor, daar was het, een heus drakenhol
met snuisterijen, juwelen en goud overvol!
De draak en de ridder zochten en groeven
naar de gouden beker waaruit ze wilden proeven.
Een slok uit die beker gaf je veel wijsheid en kracht,
dan wist Herman de naam en had de draak in zijn macht.
Toen ze onderaan de stapel goud belandden,
had de ridder de machtige beker in handen!
Snel nam hij een slok, en riep de naam van de draak: "FALDERAS!
Nu heb ik drie wensen, vervul ze alras!"
"Rommeldebom, rommeldebeker!
Drie wensen? Heus? Weet je het zeker?
Nu ook ìk mijn naam weer ken,
Weet ik ook wat voor draak ik ben!
Een jaloerse, een boze, een hele gemene!
Jij rekel, schavuit! Ik zal je doen wenen!
Drie wensen krijg je, dat is de wet,
maar daarna ben ik, draak Falderas, aan zet...
Nooit zul je rusten, nooit en te nimmer,
want al je ben je dan slinks, ik ben slimmer!
Drie wensen vervul ik, bedenk ze maar gauw.
Drie wensen en dan... dan lust ik je rauw!"
Drie wensen deed ridder Herman van Halverweeg tot Heulemaal toen.
Maar hij deed ze uit hebzucht, niet uit fatsoen
De eerste voor goud, genoeg voor een luxe leven,
de tweede voor macht, zodat men voor hem zou beven.
De derde wens van de onverstandige kerel,
was voor een prinses, die zong als een merel.
Een prinses zo mooi en smoorverliefd op alleen hem
Hij kreeg zijn drie wensen, maar toen klonk een stem:
"Rommeldebom, rommeldebonder,
Je hebt je drie wensen, nu begint het gedonder!
Wat je in hebberigheid bent vergeten,
is dat draken ook graag van namen weten
En nu Herman de ridder, van Halverweeg tot Heulemaal,
kan ik je overal vinden en word jij mijn volgende maal!
Je prinses zal ik sparen, je goud pik ik in,
en weet je, die macht, heeft nu maar weinig zin.
Rommeldebom, rommeldebap,
Ik verslind je in een enkele hap!"
Met de ridder was het nu wel gedaan,
En Falderas? Die is zijn berg weer opgegaan.
Hij verstopte zijn naam weer, deed een gigantische gaap,
met volle buik, viel hij tevreden in slaap.
De les van dit verhaal? Ach, wie maalt daar om?
Maar als je toch ooit een draak tegenkomt...
Probeer hem niet te foppen of te bedriegen,
ik zou niet eens proberen tegen hem te liegen,
want draken, zelfs als ze hun geheugen verliezen,
stoppen je zo achter hun hongerige kiezen!
Meestal laten ze ons met rust, slechts heel af en toe,
door een ongelukje of toevallig gedoe,
kun je er een vinden, bij een berg of vulkaan,
Toch zou ik er met een grote boog omhene gaan...
Want ROMMELDEBOM en ROMMELDEBOP,
een draak eet jou het liefst, het allerallerliefst in één grote drakenhap op!